Volgens het Europese Hof van Justitie (HvJ EG) handelt Spanje in strijd met het EG-verdrag, door extra voorwaarden te stellen voor de vrijstelling van uitgekeerde dividenden door Spaanse vennootschappen aan niet-Spaanse moedervennootschappen. Als het dividend aan een niet-Spaanse moedervennootschap wordt uitgekeerd gelden namelijk strengere voorwaarden dan wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een Spaanse moedervennootschap.
Volgens de Spaanse Wet op de vennootschapsbelasting kan een Spaanse vennootschap met een rechtstreekse of indirecte deelneming van 5% of méér in het kapitaal van een andere Spaanse vennootschap, het ontvangen brutodividend volledig van haar belastbare inkomsten aftrekken. Voor niet-Spaanse vennootschappen geldt dat het belang in de Spaanse dochteronderneming minimaal 20% moet bedragen.
De Europese Commissie heeft beroep bij het HvJ ingesteld omdat zij van mening is dat Spanje niet zijn verplichtingen is nagekomen die op hem rusten volgens artikel 56 EG-verdrag. Volgens dit artikel zijn beperkingen van het vrije kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling, verboden.
Het HvJ EG beslist dat er geen rechtvaardiging is voor het verschil in behandeling waaraan het Koninkrijk Spanje dividenden onderwerpt die worden uitgekeerd aan in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen in vergelijking met dividenden die worden uitgekeerd aan in Spanje gevestigde vennootschappen.
Bovendien kunnen de nadelen die in andere lidstaten gevestigde vennootschappen hierdoor ondervinden, niet worden geneutraliseerd door de door het Koninkrijk Spanje gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting.
Het HvJ EG constateert dan ook dat de grief van de Europese Commissie over de schending van artikel 56 EG door het Koninkrijk Spanje gegrond is. |