Op 18 december 2009 heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de vraag of onder de nieuwe Europese Betekeningsverordening kan worden volstaan met betekening aan de procureur van de vorige instantie.
Aan de orde was de vraag of tegen een niet verschenen partij verstek kon worden verleend omdat de appeldagvaarding uitsluitend was betekend aan het adres van de procureur waar die partij laatstelijk domicilie had gekozen. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend en motiveert zijn uitspraak als volgt.
"Voor het antwoord op deze vraag is van belang of verzending van het desbetreffende stuk op de voet van de Betekeningsverordening II moet plaatsvinden.
Volgens overweging 8 van de considerans van de Betekeningsverordening II is deze verordening niet van toepassing op de betekening en de kennisgeving van een stuk aan de gevolmachtigde vertegenwoordiger van de partij in de lidstaat waar de procedure plaatsvindt, ongeacht de woonplaats van die partij. Volgens de Nederlandse wetgever heeft deze overweging betrekking op de kantoorbetekening als bedoeld in art. 63 lid 1 Rv. en is de Betekeningsverordening II op een dergelijke betekening dus niet van toepassing. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp strekkende tot wijziging van de uitvoeringswet houdt dienaangaande het volgende in:
"Bij de onderhandelingen over de nieuwe verordening 1393/2007 is expliciet aan de orde geweest of in gevallen waarin het nationale recht betekening aan de gemachtigde in de vorige instantie toestaat, de verordening van toepassing is. De leden van de raadswerkgroep en de vertegenwoordigers van de Commissie waren van oordeel dat dit niet het geval is omdat hier niet sprake is van een situatie waarin een stuk "van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar" (artikel 1, eerste lid, verordening, op dit punt ongewijzigd ten opzichte van verordening 1348/2000). Om dit te verduidelijken, mede met het oog op de Nederlandse situatie van art. 63, eerste lid, Rv en de interpretatie van de Hoge Raad van verordening 1348/2000 en artikel 56 Rv, is overweging 8 in verordening 1393/2007 opgenomen. Daarin wordt expliciet gemeld dat de verordening "niet van toepassing [is] op de betekening en de kennisgeving van een stuk aan de gevolmachtigde vertegenwoordiger van de partij in de lidstaat waar de procedure plaatsvindt, ongeacht de woonplaats van die partij"."
(Kamerstukken II 2007-2008, 31 522, nr. 3, p. 11)
Het moet er volgens de Hoge Raad "voor worden gehouden dat, blijkens overweging 8 van de considerans, de Betekeningsverordening II aan het nationale recht heeft overgelaten of voor verstekverlening kan worden volstaan met betekening of kennisgeving aan de gevolmachtigde procesvertegenwoordiger van de partij in de lidstaat waar de procedure plaatsvindt. Waar overweging 8 in het bijzonder blijkt te zijn opgenomen met het oog op de Nederlandse kantoorbetekening als bedoeld in art. 63 lid 1 Rv., volstaat een dergelijke betekening voor verstekverlening in het geval degene voor wie het stuk is bestemd in een andere lidstaat woonplaats of werkelijk verblijf heeft.
Deze kantoorbetekening strookt ook met het doel en de strekking van de Betekeningsverordening II op eenvoudige en snelle wijze te bewerkstelligen dat de geadresseerde die in een andere lidstaat woon- of verblijfplaats heeft van het stuk kennis neemt, nu art. 63 lid 1 Rv. beoogt een grotere waarborg te scheppen dat het exploot ook werkelijk tijdig degene bereikt voor wie het bestemd is.
Het verzoek om verstekverlening is derhalve voor toewijzing vatbaar."
Op 5 januari 2010 heeft het Hof Den Bosch een uitspraak gedaan die in lijn is met de opvatting van de Hoge Raad, doch vreemd genoeg zonder enige verwijzing naar het arrest van 18 december 2009. Het Hof heeft daarbij bovendien nog eens met zoveel woorden uitgesproken dat de omstandigheid dat artikel III van de Wijzigingswet Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening ervan uitgaat dat artikel 56 lid 3 Rv., zoals dat tot 10 juni 2009 luidde, van toepassing blijft op een kantoorbetekening op een datum gelegen vóór die datum, niet afdoet aan de conclusie dat sedert de inwerkingtreding van de nieuwe Betekeningsverordening alle procureursbetekeningen volstaan. Genoemd artikellid had immers de strekking te voldoen aan de in de oude Betekeningsverordening voorgeschreven betekeningsvereisten en heeft na de inwerkingtreding van de nieuwe Betekeningsverordening per 13 november 2008 geen betekenis meer.
|