In een arrest van vandaag gaat het Hof van Justitie nader in op de rechten die de passagiers van vertraagde vluchten volgens de gemeenschapsverordening (Verordening (EG) nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten) inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers tegenover de luchtvaartmaatschappij geldend kunnen maken.
Deze verordening bepaalt dat de passagiers in geval van annulering van een vlucht recht hebben op een forfaitaire compensatie van 250 tot 600 EUR. De verordening bepaalt daarentegen niet uitdrukkelijk dat passagiers van vertraagde vluchten eveneens dit recht hebben.
Met het arrest van vandaag antwoordt het Hof op verschillende vragen van het Bundesgerichtshof (Duitsland) en het Handelsgericht Wien (Oostenrijk). Deze nationale rechterlijke instanties dienen uitspraak te doen op de vordering van een aantal passagiers tot veroordeling van Condor en Air France tot betaling van de compensatie waarin de verordening in geval van annulering van een vlucht voorziet, op grond dat deze maatschappijen hen respectievelijk 25 en 22 uur na de geplande aankomsttijd op de luchthaven van bestemming hebben gebracht.
Om te beginnen preciseert het Hof dat een vlucht niet louter op basis van de – zelfs lange – duur van de vertraging als geannuleerd kan worden beschouwd. Een vertraagde vlucht kan, ongeacht de duur van de vertraging, niet als geannuleerd worden beschouwd wanneer op de vertrektijd na alle elementen van de vlucht zoals deze oorspronkelijk zijn gepland, waaronder het traject, ongewijzigd blijven. Wanneer de luchtvaartmaatschappij daarentegen de passagiers na de geplande vertrektijd met een andere vlucht vervoert, dat wil zeggen met een vlucht die los van de door de passagiers geboekte vlucht is gepland, kan de vlucht in beginsel als geannuleerd worden beschouwd. De vermeldingen op het vertrekbord van de luchthaven, de door het personeel verstrekte informatie, het feit dat de passagiers hun bagage terugnemen of nieuwe instapkaarten krijgen of een wijziging in de samenstelling van de groep reizigers zijn voor deze kwalificatie niet bepalend.
Wat voorts het recht op compensatie betreft dat de verordening verleent aan passagiers waarvan de vlucht is geannuleerd, stelt het Hof vast dat passagiers waarvan de vlucht vertraagd is, een vergelijkbare schade lijden, namelijk tijdsverlies, en zich aldus in een vergelijkbare situatie bevinden. Passagiers van een vlucht die kort voor het vertrek wordt geannuleerd, hebben immers recht op compensatie, zelfs wanneer de luchtvaartmaatschappij hun een andere vlucht aanbiedt, wanneer zij drie of meer uren tijd verliezen ten opzichte van de oorspronkelijke planning. Het zou niet gerechtvaardigd zijn passagiers van vertraagde vluchten anders te behandelen wanneer zij hun eindbestemming drie of meer uren na de oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken.
Ten slotte merkt het Hof op dat een dergelijke vertraging geen recht op compensatie geeft indien de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden waarop zij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen en die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Dienaangaande herinnert het Hof eraan dat een technisch probleem aan een luchtvaartuig niet als een buitengewone omstandigheid kan worden beschouwd, tenzij dit probleem voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en deze hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. |